Pragmatiek

 

In de logopedische praktijk komen we steeds vaker tegen dat de pragmatische ontwikkeling van een kind niet normaal verloopt, bijvoorbeeld bij een kind met een taalontwikkelingsstoornis of een kind met een stoornis in het autistische spectrum.

 

Overzicht van pragmatische vaardigheden
Communicatieve functies
  • Verzoek om uitleg: het vragen van een verklaring waardoor iets duidelijk wordt;
  • Verzoek om verduidelijking: het vragen om een nadere verduidelijking;
  • Beschrijven van gevoelens: het verwoorden van emoties en gevoelens;
  • Suggestie geven: het aandragen van ideeën waardoor een oplossing gevonden wordt;
  • Informatie geven: het geven van nieuwe inlichtingen om een beeld van iets te krijgen;
  • Instructie geven: het geven van opdrachten die opgevolgd moeten worden;
  • Vragen om informatie: het vragen om inlichtingen om bepaalde zaken uit te sluiten en een helder beeld te krijgen;
  • Vragen om actie: het verzoek tot het uitvoeren van een handeling;
  • Praten over wat anderen doen: het praten over bezigheden van anderen;
  • Vragen naar wens: het vragen naar de wens van de luisteraar;
  • Verklaring geven: het duidelijk maken van de gevolgen van een gebeurtenis of voorval;
  • Onderhandelen: het proces waarbij ten minste twee mensen(of partijen) iets tot stand proberen te brengen. Om te slagen moeten beide partijen met het besluit instemmen.
Conversatievaardigheden
  • Herhaling bij onduidelijkheid: iets opnieuw zeggen of verduidelijken;
  • Gericht roepen om aandacht: het expliciet roepen van één persoon van wie men aandacht wil;
  • Reden geven met betrekking tot een waardeoordeel: het motiveren van een mening over iets;
  • Betekenis voorafgaande zinnen: wat verteld wordt, heeft een logisch verband met de voorafgaande zinnen;
  • Rekening houden met de voorkennis van de luisteraar: wanneer iets ter sprake gebracht wordt wat bij de luisteraar niet bekend is, wordt een toelichting gegeven;
  • Praten buiten het hier-en-nu: het praten over iets dat niet in de gesprekssituatie aanwezig is;
  • Beurtwisseling: het om beurten reageren, afwisselend de rol van de spreker en luisteraar op zich nemen om op deze manier adequaat gedachten en gevoelens uit te wisselen;
  • Openen van contact: het groeten of zich voorstellen waardoor een gesprek wordt begonnen of gewoon de initiatie van een conversatie;
  • Beëindigen van contact: het groeten of afscheid nemen waardoor een gesprek wordt beëindigd.
Verhaalopbouw
  • Oriëntatie binnen een verhaal in het algemeen;
  • Oriëntatie van persoon: het aangeven over welke hoofdfiguur het verhaal gaat;
  • Oriëntatie van plaats: het aangeven van de plaats waar het verhaal zich afspeelt;
  • Oriëntatie van tijd: het aangeven van het tijdstip waarop de gebeurtenis plaatsvindt;
  • Structuur: het aangeven van de opbouw van of de lijn in het verhaal, waardoor het geheel logisch en duidelijk wordt;
  • Kern: het aangeven van het belangrijkste deel van het verhaal;
  • Eindresultaat: het vertellen van de afloop van het verhaal;
  • Afronding: het aangeven dat het verhaal ten einde is;
  • Causaal verband: het aangeven van een oorzakelijk verband tussen twee aspecten;
  • Referentie: het verwijzen naar een ander woord uit de context;
  • Conjunctie: het verbinden van zinnen door middel van een voegwoord