De taalontwikkeling 2-3 jaar

 

 

In het derde levensjaar gebruikt je kind de taal om gesprekjes te voeren en van alles te leren. Je kind leert opeens zeer veel nieuwe woorden en zegt zijn eigen naam. Het kind spreekt steeds meer in zinnen van drie, vier en vijf woorden. De eerste drie-woordzinnen zijn vaak combinaties van twee twee-woordzinnen: ‘Mama auto’ en ‘Mama rijden’ wordt: ‘Mama auto rijden’. Ook kan je kind iets toevoegen aan een bestaande twee-woordzin, zoals ‘Is olifant’ waarvan het nu ‘Is grote olifant’ maakt. Je kind stelt nu vragen ‘Wat is dat?’ en ‘Wie is dat?’

 

De zinnen worden grammaticaal juister. Je kind leert werkwoorden vervoegen zoals ‘Ik ben gevallen’ of ‘Dat heb ik gemaakt’. De eerste voornaamwoorden (ik, jij, hij) verschijnen. In gesprek met je kind hoeft je nu uzelf niet meer met je eigen naam aan te duiden: ‘Mama komt zo’, maar kunt je zeggen: ‘Ik kom zo’. Ook leert je kind lidwoorden (vooral de) en meervouden te gebruiken, zoals ‘auto’s’, maar ook ‘koeies’. En voorzetsels (op, in).

 

Het besef van tijd ontstaat waardoor je kind taal gaat gebruiken om buiten het hier-en-nu te spreken, zoals ‘morgen’ en ‘straks’ of ‘Tot de vorige keer!’. Deze tijdsaanduidingen worden nog ‘ruim’ gebruikt. De gebeurtenis van ‘gisteren’ kan net zo goed een week geleden plaats hebben gevonden. Nu kan je kind ook gevoelens beschrijven, een belangrijke ontwikkeling. Ook kan het vertellen ‘waar’ iets is, bijvoorbeeld ‘Bij de bakker’, ‘In de speeltuin’ of ‘In de badkamer’.

 

Je kind oefent volop met alle nieuwe woorden en taalregels waardoor het soms fouten maakt. Soms lijkt het alsof je kind meer fouten maakt dan eerst. Deze fouten laten echter zien dat je kind op zoek is naar algemene taalregels en dat is nodig om deze regels echt te gaan beheersen. Het kind leert uiteindelijk de juiste toepassingen vanzelf door je goede voorbeeld.

 

Gesprekken duren nu langer. Je kind kan (met je hulp) al iets langer over een onderwerp praten. Het begint korte verhalen te vertellen. Maar deze zijn nog moeilijk te volgen omdat ze vaak nog onsamenhangend zijn. Door je kind vragen te stellen (Wat was er omgevallen? Wie had de limonade omgestoten? Wat gebeurde er toen?) kunt je je kind helpen om zijn boodschap toch over te brengen.

 

Als je kind drie jaar is begrijpt het veel woorden zoals ‘speelgoed’, ‘dieren’, maar ook eigenschappen zoals in-uit, groot-klein, schoon-vies en nat-droog. Ook weet het wat ‘onder’ en ‘boven’ is.

 

Je kind snapt gewone, niet ingewikkelde zinnen. Op simpele vragen zoals ‘Wat ben je aan het doen?’ kan het antwoord geven. Het kind kan eenvoudige aanwijzingen en tweeledige opdrachten opvolgen, zoals ‘Pak je pyjama en trek hem aan’. ‘Pak je beker en breng hem naar de keuken’. Ook simpele gebeurtenissen en eenvoudige verhaaltjes uit een boek worden nu begrepen.

 

Tips en adviezen:

 Je kunt de woordenschat van je kind vergroten door voorwerpen te benoemen en door te vertellen wat je aan het doen bent (‘Even in de soep roeren’). Leg de woorden die het kind niet begrijpt uit door iets te laten zien, ruiken, voelen of proeven of door iets voor te doen, een foto of een tekening ervan te laten zien.

 

Op deze leeftijd spreekt je kind de woorden nog niet goed uit. Vraag je kind niet om het woord goed te herhalen, maar geef zelf in een positief antwoord het juiste voorbeeld. Je kind zegt bijvoorbeeld ‘Toel titte’, waarop je kunt reageren met: ‘Ja, je zit op de stoel’. Door je goede voorbeeld leert het kind de juiste uitspraak vanzelf.

 

Als je kind televisie kijkt, kijk dan samen en praat over wat jullie zien.

Suggesties spelmateriaal voor peuters


Locatie Molenhoek

Logopediepraktijk Nicole Körber-Thelosen

Prinsenweg 6

6584 AZ  Molenhoek

Email: info@logopediemolenhoekvenlo.nl

Telefoon: 06-25164341