De taalontwikkeling 1,5-2 jaar

 

Als een kind 18 maanden oud is, kent het meestal nog enkele woordjes naast de woordjes ‘papa’ en ‘mama’. Deze woorden zijn wat betreft de vorm veelal nog onvolledig, bijvoorbeeld ‘paa’ (paard), ‘pa-pu’ (paraplu), ‘toe’ (stoel). Als je kind ongeveer 50 woorden kent ondergaat de woordenschat een groeispurt. In een enorme snelheid leert het nieuwe woorden bij, soms wel tien woorden per week.

 

 

Je kind begint losse woorden te combineren tot de eerste twee-woordzinnen. Van iedere zin spreekt het alleen de twee belangrijkste woorden uit. Hierdoor kunnen zijn uitingen weer verschillende dingen betekenen, zoals ‘Mama fiets’: ‘Dit is mama’s fiets’ of ‘Mama zit op de fiets’ of ‘Mama, ik wil met de fiets’. Gelukkig praat je kind nu vooral over zaken binnen het hier-en-nu. Hierdoor kunt je gebruik maken van de hele situatie waarin je zich

         met je kind bevindt. Je begrijpt dan beter wat het op dat moment bedoelt.

 

 

De woordopbouw is in de twee-woordfase vaak nog onvolledig, bijvoorbeeld ‘Kinne boem’ (De vlinder zit op de bloem), ‘Fieze buiten’ (Ik wil buiten fietsen). Zoals uit dit voorbeeld blijkt, vereenvoudigt een kind de uitspraak van sommige woorden of klanken vaak. Als een kind 2 jaar is kunnen anderen ongeveer de helft van wat het kind zegt verstaan.

 

Je kind begrijpt nu vele woorden zonder dat je daar nog verdere aanwijzingen bij geeft. Je hoeft bijvoorbeeld niet meer te wijzen om je boodschap duidelijk te maken. Ook eenvoudige opdrachten worden nu begrepen, zoals ‘Geef de bal maar aan het kindje’. Op eenvoudige vragen kan je kind nu adequaat reageren. Bijvoorbeeld op ‘Waar is je bal?’, ‘Waar is de olifant?’ en ‘Wat zegt de poes?’.

 

Je kunt nu korte gesprekjes met je kind voeren waarin je informatie met elkaar uitwisselt. Als je samen speelt kan het kind zelf ook nieuwe informatie geven zoals bij het blokkenspel. Als ouder wilt je je kind complimenteren en zegt je ‘Wat een mooie toren, Sam!’, waarop je kind kan zeggen: ‘Groot!’

 

Tips en adviezen:

Het is goed om je taalgebruik aan het praten van je kind aan te passen. Gebruik geen lange en moeilijke zinnen, maar juist eenvoudige en korte.

 

Herhaal de woorden die je kind niet goed uitspreekt op de juiste manier. Vraag je kind niet om het woord goed te herhalen. Door je goede voorbeeld leert het kind het woord vanzelf goed. Ook is het beter om niet in peutertaal te gaan praten, hoe leuk het ook klinkt. Als je kind ‘Auto toet’ zegt kunt je antwoorden in een complete zin: ‘Daar rijdt een auto’. ‘De auto doet toet toet’.

 

Lees samen met je kind liefst op een vast tijdstip (bedtijd). Wijs samen de plaatjes in een boek of tijdschrift aan en praat erover. Bijvoorbeeld: ‘Waar is de appel? Goed zo! Dat is een lekkere appel zeg’. Je kind raakt op deze leeftijd ook geïnteresseerd in vormen en kleuren.

 

Suggesties spelmateriaal 1,5-2 jaar


Locatie Molenhoek

Logopediepraktijk Nicole Körber-Thelosen

Prinsenweg 6

6584 AZ  Molenhoek

Email: info@logopediemolenhoekvenlo.nl

Telefoon: 06-25164341